Antibiotica

Niet alleen mensen voeren oorlog. Allerlei diersoorten vechten met elkaar om de schaarse middelen. Oorlog is eerder regel dan uitzondering en geldt voor de kleinste soorten. Ook voor bacteriën (zie wikipedia). Ze zijn onophoudelijk in een chemische oorlogsvoering verwikkeld: door het afscheiden van gifstoffen probeert de ene bacteriesoort de andere de baas te blijven. In tegenstelling tot wat we zouden verwachten zijn de meeste bacteriën niet schadelijk voor de mens, soms zijn ze nuttig en zelfs onmisbaar. Slechts een klein aantal bacteriën veroorzaakt ziekte. Maar deze 'onzichtbare' minderheid is in staat hele volkeren uit te roeien, zoals tijdens de beruchte pestepidemieën. Zo sloeg in de veertiende eeuw in Europa de 'zwarte dood' genadeloos toe. Tot in de negentiende eeuw waren we nog betrekkelijk weerloos tegen de massale aanvallen van bacteriën omdat we weinig begrepen van wat infectieziekten waren. Door het werk van de Franse onderzoeker Louis Pasteur werd duidelijk wat infecties eigenlijk waren en ontstond de mogelijkheid om infecties te bestrijden.

Penicilline
Belangrijk was de ontdekking van Alexander Fleming, in 1928, dat er in een bacteriecultuur (een bakje waarin men bacteriën laat groeien om er studie van te maken) waarin per ongeluk een schimmel was terechtgekomen, rond de schimmel praktisch geen bacteriën groeiden. Hij concludeerde dat de schimmel kennelijk een stof produceerde die bacteriën vernietigde. Omdat de naam van de schimmel in het bakje Penicillium notatum luidde, noemde hij de stof die de bacteriën uitschakelde penicilline. Je zou verwachten dat dit middel onmiddellijk de wereld veroverde, maar de belangstelling was gering en het duurde nog tien jaar voordat penicilline bij de mens werd toegepast. Gedurende de Tweede Wereldoorlog echter begonnen de Amerikanen het wondermiddel massaal te produceren. De stoffen die door schimmels worden gemaakt en bacteriën kunnen vernietigen, worden antibiotica genoemd. Na de penicilline zijn nog talloze andere soorten antibiotica ontdekt, waaronder ook antibiotica die door de ene bacteriesoort tegen de andere worden gebruikt. Een antibioticum valt wel de bacterie aan maar niet de menselijke cellen. Hoe kan dat? Specifieke eiwitten in de bacterie worden aangetast waardoor de bacterie sterft. De menselijke cel heeft deze eiwitten niet en ontspringt de dans.

Antibiotica kunnen de bacteriën doden of hun groei remmen. In het eerste geval worden de bacteriën volledig door het geneesmiddel uitgeschakeld, in het tweede geval wordt de groei van de bacteriën geremd en moet de eigen afweer van de zieke de rest doen. Dit is eigenlijk gunstig om de eigen afweer wat op peil te houden. Ernstig verzwakte mensen zullen echter nauwelijks nog enige afweer hebben en bij hen zullen antibiotica met een bacteriedodende werking nodig zijn.